
Kakofonie
AlgemeenWOUW - Omdat ik nu eenmaal geen huismus ben, trek ik er regelmatig op uit, het liefst gezeten hoog op mijn paard. Gelukkig zijn er nog veel zandpaden rondom het dorp Wouw die tezamen de wandel- en fietsroute ‘De Ster van Wouw’ vormen.
Zo ook op een winderige voorjaarsmiddag reden we door het dal van de Smalle Beek in Wouw. Mijn paard ontweek de scherpe steenslag op het verharde zandpad en zocht de zachtere berm op. Als een soort erewacht in een lange rij staan daar langs de slootkant meerdere knotwilgen die ons in de schaduw en uit de wind houden. Want winderig was het die middag. De takken van de wilgen zwiepten enthousiast rond mijn oren en ik moest soms een diepe buiging voor hen maken om ze te ontwijken.
In de beschermde omgeving van zo’n grote knotwilg staat al jaren een vrome veldkapel. In de aureool van Marie staat de tekst ‘Onze Lieve Vrouw in het Woud’. Die verwijzen naar de eerste kapel waar Wouw rondom gesticht zou zijn. Ter hoogte van die kapel wilde ik het pad oversteken. Tot ik bemerkte dat er naast het kapelletje een stoere houten bank was geplaatst. Op een infobord is te lezen dat dit een initiatief is van de Dorpsraad van Wouw. Zij hebben er ook meteen een veiliger en brede dam aangelegd, zodat passanten even kunnen uitrusten en genieten van het uitzicht.
Op de rugleuning van die bank is een toelichting geplaatst waarom deze plek bijzonder was. Die oude, holle knotwilg zou in de oorlogsdagen beschutting hebben gegeven aan P.A.M. van Tiggelen die daar moest schuilen voor een kogelregen. Hij was toen onderweg van Wouw naar de Zandstraat in Bergen op Zoom om geheime documenten af te leveren. Maar door dit oponthoud kwam hij te laat aan in Bergen op Zoom. Wat waarschijnlijk zijn leven heeft gered, omdat hij bij aankomst in die straat zag hoe de bewoners van dat pand werden afgevoerd door de Duitsers.
Nog wat na mijmerend over dit beschreven voorval hoorde ik in de verte een licht fluitend geluid. Ik kon het mysterieuze gefluit niet goed thuis brengen dus reed ik het pad op richting het steeds aanzwellende geluid. Daar op het einde van dat pad zag ik een veld met jonge boompjes en struiken staan.
Dus gingen mijn eerste gedachten uit naar een zwerm mussen die zich daar ophielden. Het leek een gekwetter en getsjilp van jewelste, wat naar gelang ik naderde steeds luider werd. In de verwachting dat er zo dadelijk een vlucht van heggenmussen zou opvliegen, kwam ik bedrogen uit. Er gebeurde helemaal niets terwijl het tsjilpende geluid aanhield. Ik liet de teugels los en klapte eens stevig in mijn handen in de hoop dat er iets zou gebeuren. Maar nog steeds bleef het, op het geluid na, erg rustig.
Ik stond er bij te kijken als een harde geschilde aardappel die in kokend water wil springen, maar ik zag geen beweging terwijl het geluid er wel degelijk was. Erger nog, het gefluit werd gevarieerder en hield in hevigheid aan. Mijn paard werd er wat onrustig van maar toch dwong ik hem om nog iets dichter naar de aanplant te gaan. Zelf voelde ik mijn hart bonken, want het was niet alleen mysterieus, maar het had ook iets onheilspellends. “Spoken bestaan niet”, hield ik mezelf voor, maar hier leek het gevoel het te winnen van het verstand.
Net toen ik mijn paard tot een draf wilde aansporen, zag ik wat de oorzaak van dat fluitende geluid was. Elk boompje, en er stonden er duizenden, was stevig bevestigd aan een lange bamboestok. Die bamboestokken waren beslist al eens eerder gebruikt, want elke stok was gebarsten en vertoonde een grote, diepe kerf. Daar speelde de straffe wind naar hartenlust een eigen lied. Het waren als het ware allemaal lange blokfluiten die ieder hun eigen toontje bliezen. Daardoor ontstond een kakofonie aan geluiden die mij even deden denken aan een zwerm mussen die hun lentekriebels kwijt moesten. Maar die simpele bamboestokken hadden met hun kakofonie mij toch mooi te kakken gezet met hun meerstemmig lokroep.
Karel Schrooyen,
23 mei 2023











